Leren praten
Kinderen leren praten vanaf het moment dat zij geboren zijn. Overal om hen heen horen ze geluiden, klanken en woorden. De eerste stap in het leren praten is het onderscheiden van al deze geluiden. Zelfs nog voor ze geboren zijn, leren ze het geluid van hun ouders te herkennen. Pas wanneer ze een aantal maanden oud zijn, gaan ze de woorden ook aan voorwerpen, personen of handelingen koppelen. Het is daarom goed om vanaf het begin al veel tegen je kind te praten. Door voorwerpen, personen en handelingen te benoemen, raakt de baby vertrouwd met de klank. Volgens onderzoek moet een persoon een woord 7 keer gehoord en beleefd hebben voordat dit woord goed in het brein zit opgeslagen. 

Praten met je kind

Kinderen hebben van nature de neiging om alles in hun omgeving te gaan benoemen. Zij ontwikkelen daardoor al snel hun eigen taal. Ze willen graag taal produceren, ook al klopt deze niet met de taalafspraken die wij met elkaar hebben. Als ouders het kind blijven stimuleren om te praten en daarnaast ook de juiste bewoordingen aan hun kind leren, verdwijnt de eigen taal vanzelf.

Je hoort soms volwassenen in een hoge toon en met een zangerige stem tegen hun kind praten. Dit is voor veel volwassenen een natuurlijk reflex. Baby’s zijn namelijk beter in het opvangen en het onderscheiden van nuances in hoge tonen dan in lage tonen. Let er wel op dat de taal die je spreekt wel correct is, zodat je kind taal op de juiste manier aanleert.

Voorbeeld: ‘Ga jij maar lekker slapen.’ In plaats van: ‘Doe jij maar lekker slapen.’

Wanneer een kind zelf woorden gaat spreken, daag je kind dan uit om nieuwe woorden te leren spreken.

Voorbeeld: ‘Welke knuffel wil je?’ vraagt de moeder. Het kind wijst haar teddybeer aan. De moeder geeft de teddybeer.

In dit voorbeeld leert het kind niet welk woord er bij de beer hoort. Als je denkt dat het kind dit woord nog niet kent kan je zeggen. ‘Jij wilt je teddybeer.’ En dan de beer geven. Als je kind al een beetje kan praten vraag je het woord te herhalen. ‘Oh jij wilt je teddybeer, zeg maar: ‘teddybeer’.’ Geef dan de beer ook als het kind het woord niet helemaal goed uitspreekt. 

Als je weet dat je kind het woord al kent kan je ook het woord vragen zonder het voor te zeggen. ‘Wil je deze knuffel? Hoe heet hij?’

Tips:
Praat zoveel mogelijk tegen je kind, vertel wat je doet en benoem voorwerpen en personen.
Praat rustig met een duidelijke intonatie.

Maak gebruik van gebaren en gezichtsuitdrukkingen.
Vraag je kind de woorden die hij kent of zeg ze voor.

Gebruik maken van gebaren en gezichtsuitdrukkingen helpt een kind emoties te leren kennen, de context van een zin te begrijpen en onbekende woorden in die context te plaatsen. Denk maar eens aan een gesprek met iemand die een andere taal spreekt. Vaak kan je door de gezichtsuitdrukkingen en gebaren al heel veel opmaken.