Categorie: Dreumes

Zindelijkheid

De meeste kinderen beginnen net na hun tweede verjaardag met zindelijkheidstraining. Meisjes vaak wat eerder dan jongens. Gemiddeld zijn de meeste kinderen overdag zindelijk net voor hun vierde verjaardag. ’s Nachts kan het soms wat langer duren.

Zindelijkheid

Het goede voorbeeld
Ook als ze nog heel klein zijn, kan je al beginnen met de voorbereidingen op de zindelijkheidstraining. Door aan te geven dat poep en plas vies zijn, door te laten zien wat een wc is en wat je daar gaat doen. Op deze manier werk je al een beetje aan het bewustzijn van je kindje.

Interesse wekken
Door erover te praten, te laten zien wat de wc doet, er boekjes over te lezen en je kind te laten spelen dat zijn knuffel ook op het potje moet wek je de interesse van je kindje.

Oefenen op het potje of de wc
Zodra jij aanvoelt dat je kindje moet, kan je meteen het potje of de wc aanbieden.
“Moet je plassen? Kom dan gaan we het op het potje proberen.”
Je kan een brilverkleiner op de wc-bril zetten en een opstapje voor de voetjes voor de wc plaatsen. Je kan het potje of de wc ook aanbieden direct na het volmaken van een luier. Gewoon nog heel even kijken of er misschien nog iets na komt en je kind laten wennen aan het gevoel van op het potje zitten.
Je kan er ook voor kiezen om het wc-bezoek op gezette tijden te oefenen. Zo kan je misschien voorkomen dat het kind zijn behoefte in de luier doet en leer je je kind onbewust een ritme aan.

Het kind geeft het aan
Een andere methode is om je kindje niet op het potje te zetten, maar te wachten tot het kind zelf aangeeft dat op de wc of het potje wil. Je wekt dan wel de interesse, zoals hierboven beschreven, maar gaat niet oefenen op het potje of de wc. Dit werkt niet bij alle kinderen.
De meeste kinderen geven zelf op een gegeven moment aan dat ze hun behoefte in hun luier hebben gedaan. Ze vinden het na een tijdje vaak een beetje vies om met een volle luier door te lopen en geven dan aan verschoond te willen worden. Dit is een mooi begin om te gaan oefenen met het potje.

Zonder luier
Vooral in de zomer is dit een fijne methode. Je laat je kindje gewoon rondlopen zonder luier. Er zullen heus nog wel wat ongelukjes gebeuren, maar vaak vindt het kind dat niet fijn en voelt hij eerder aan dat hij nat is. Hij leert dan ook sneller van te voren aan te voelen dat hij moet en zal dan sneller gaan vragen om een potje of de wc.

Belonen
Straf je kindje nooit als er een ongelukje is gebeurd. De vrees voor de straf of de boze ouder kan stress veroorzaken waardoor het zindelijk worden juist moeilijker gaat. Wel kan je benoemen dat plas en poep vies zijn, maar doe dit zonder beschuldigende toon. Belonen kan echter wel. Een stickerkaart, een vrolijk plasliedje of een andere beloning kunnen het kind stimuleren om op de wc te gaan.

’s Nachts zindelijk
Wanneer het kind overdag zindelijk is, kan je ook ’s nachts gaan trainen. Kinderen vinden het moeilijker om ’s nachts aan te voelen dat ze naar het toilet moeten. Ze slapen hier doorheen. Laat je kindje ruime tijd voor het slapen niets meer drinken. En maak je kind ’s nachts wakker om even samen naar de wc te gaan, laat je kind zelf lopen en op de wc gaan zitten. Als je het kind nog bijna slapend op de wc zet, zal het minder snel uit zichzelf wakker gaan worden voor het toiletbezoek. Zodra je merkt dat het kind ’s ochtends een droge luier heeft, omdat jullie ’s nachts samen naar de wc zijn geweest, kan je gaan oefenen ’s nachts zonder luier. Zodra je merkt dat je kind al wakker wordt voor jij hem wakker gaat maken, kan je gaan oefenen met de zindelijkheid ’s nachts zonder hulp.

Problemen
Sommige kinderen ervaren problemen tijdens de zindelijkheidstraining. Ze hebben een terugval, dit is meestal het geval na een ingrijpende gebeurtenis zoals een verhuizing of een nieuw broertje of zusje. Ze hebben last van obstipatie, waardoor er vaker ongelukjes gebeuren. Ze voelen het niet goed aankomen. Maar het kan ook zijn dat je kind last heeft van poep- en plasangst. Dat kan door het geluid van de wc, het gevoel van blote billen op het plastic, of het bang zijn een deel van zichzelf te verliezen. Bij angst is het nog belangrijker om niet boos te worden of teveel druk op het kind te leggen.

Hebben jullie nog aanvullende tips?

Mijn kind eet niet goed

“Mijn kind eet niet goed, wat moet ik doen?” Deze vraag krijg ik op mijn werk regelmatig. Soms lust het kind veel dingen niet, maar vaak is het de manier waarop ouders met het eten en de regels omgaan wat het gedrag in stand houdt.

Mijn kind eet niet

Mijn kind lust heel weinig
Wanneer het kind niet goed eet, omdat het weinig lekker vindt, dan is het probleem vaak makkelijker op te lossen. De meeste mensen moeten een smaak eerst tien keer geproefd hebben voor ze eraan zijn gewend. Bied daarom voedsel minstens tien keer aan, voordat je ervan uitgaat dat je kind de smaak echt niet lekker vindt. Daarnaast hebben jonge kinderen meer smaakpapillen dan volwassenen en reageren daardoor vaak sterker op bittere, zure, pittige en sterke smaken. Maak het eten dus niet te gekruid en bied bittere en zure smaken mondjesmaat aan.
Vaak laten proeven en het steeds aanbieden kan dus helpen. Wat ook nog kan helpen is een beloningskaart. Dit werkt heel goed als het kind bepaalde voedselgroepen niet lekker vindt, zoals fruit of groenten. Teken (of laat je kind tekenen) bijvoorbeeld een rij met verschillende soorten groenten. Iedere keer als je kind er één opscheplepel van gegeten heeft mag hij een sticker plakken in de rij met de gegeten groente. Je kan de hoeveelheid groenten die hij moet eten voordat hij een sticker mag plakken iedere week vergroten.
Het kan ook helpen om je kind te betrekken bij het koken. Wanneer hij plezier heeft in het bereiden van het eten, wordt hij sneller geprikkeld om het ook te proeven. Daarbij ziet hij wat er gebeurt met het voedsel.

Mijn kind maakt er een spelletje van
Niet iedere ouder heeft door dat het kind een spelletje maakt van de strijd rondom het eten. Toch is dit vaker het geval dan dat een kind het eten niet lust. Soms vindt het kind een boterham (of iets anders) gewoon lekkerder en weet hij dat wanneer hij de strijd met je aangaat, hij uiteindelijk wel een boterham (of dat andere) zal krijgen. Het kan ook zijn dat het kind zoekt naar negatieve aandacht en dit krijgt door tijdens het eten moeilijk te gaan doen. Om hier een eind aan te maken is het van groot belang om consequent te blijven. Als het kind de ene keer wel iets anders te eten krijgt en de andere keer niet, zal het elke avond proberen om dat voor elkaar te krijgen.
De strengste methode is om het bord te laten staan en niets anders ervoor terug te geven. Als je kind dan gaat klagen dat hij honger heeft, wijs je hem weer naar het bord en geef je aan dat hij dat op kan eten en anders niets. Geef dan ook geen toetje of later nog een boterham, maar blijf alleen aanbieden wat op het bord ligt. Sommige ouders zijn bang dat hun kind honger gaat krijgen, maar je kind zal zichzelf echt zo snel niet uithongeren en een avondje niet eten is echt niet erg, dan eet hij ’s ochtends wel weer een extra boterham.
Een minder strenge methode is om de portie kleiner te maken en daarnaast iets aan te bieden wat het kind wel lekker vindt, zoals een boterham of een schaaltje yoghurt. Zorg daarbij dat je van te voren al duidelijk maakt dat hij de boterham zal krijgen als hij eerst de portie op zijn bord opeet. Wanneer je dit niet van te voren aangeeft, zal het toch voelen als een overwinning. Je kind krijgt met deze methode toch iets binnen van het eten dat je gemaakt hebt en je kan de grote van de portie langzaam steeds groter maken. Ga niet in discussie over de hoeveelheid. Jij stelt de grenzen en niet je kind.
Wanneer een kind vooral om negatieve aandacht vraagt en daar het eten voor gebruikt, kan het helpen om niet teveel te mopperen en juist het goede gedrag heel veel aandacht te geven. Negeer dan het geklaag, maar blijf verder volhouden met een van de bovenstaande methodes. Gebruik een stickerkaart of een andere beloning wanneer je kind iets eet waar hij normaal moeilijk over doet. Stimuleer je kind dan ook om dat op te eten door van te voren de beloning aan te kondigen en extra enthousiast te reageren wanneer hij iets eet. Laat hem desnoods aan zijn juf of grootouders vertellen dat hij zo goed gegeten heeft.

Heb jij een moeilijke eter thuis? En heb jij nog andere tips? Dan lees ik die graag. 

Sinterklaasstress

Sinterklaastijd, niet mijn favoriete tijd van het jaar. Jammer want het kan heel leuk zijn. Maar als je met groepen kinderen werkt herken je het misschien; 4 weken lang gespannen kinderen die bij ieder zuchtje beginnen te huilen of driftig worden. De sinterklaastijd is voor sommige kinderen een tijd van grote chaos en paniek. Want Sinterklaas en zijn Pieten zijn overal; op school is plotseling de klas overhoop gehaald door een stoute Piet, sommige scholen hebben zelfs een slaapkamer gemaakt waar Sint of Piet kan slapen, thuis zit er soms een cadeautje in de schoen, op het werk van papa komt Sinterklaas, hij komt ook op school, bij de zwemles en in het buurtcentrum en op iedere hoek van de straat kan een Piet zitten. Dit geeft sommige kinderen erg veel onrust en een onveilig gevoel.

schoentje zetten (1)

Heb jij zo’n kind die rond deze tijd van het jaar onrustig wordt, of hangerig, of om het minste gaat huilen? Dan heb je misschien iets aan de volgende tips:

Tips:
– Zorg dat thuis een veilige en rustige plek blijft. Dat houdt in dat Piet niet in huis komt om dingen om te gooien of te verplaatsen. Maar ook dat je je kind niet het gevoel geeft dat Piet en Sint constant op hem letten.
– Dreig niet met straf van Sint en Piet.
– Maak het voor het kind duidelijk op welke dagen hij zijn schoentje mag zetten. Twee keer per week is meer dan genoeg. Je kan hem zelfs erop voorbereiden dat er op woensdag bijvoorbeeld altijd alleen snoepgoed in zal zitten en op zaterdag een klein cadeautje. Als dit een verandering is, kan je Piet een briefje in de schoen laten doen waarop hij uitlegt dat hij vanaf nu nog maar twee keer per week zal komen.
– Ook het aantal cadeautjes op Sinterklaas avond kan je van te voren afspreken en aan je kind vertellen. Zorg er dan voor dat grootouders zich ook aan de afspraken houden.
– Ga maar naar één feest waarbij Sinterklaas op bezoek komt. Komt hij al op school, ga dan liever niet ook nog naar het feest op het werk en op de sportclub.
– Verminder prikkels, zoals Sinterklaasshows op tv of in het centrum.
– Ruim na Sinterklaasavond nog niet alle decoratie, sinterklaaspoppetjes of verkleedskleren op. Door je kind nog een paar dagen de tijd te geven om met deze dingen te spelen, verwerkt hij de gebeurtenissen van de weken daarvoor.

Hoe ervaart jouw kind deze tijd? Of heb je zelf nog tips? Laat dan gerust een reactie achter.

Taalontwikkeling Deel 2: Opdrachten geven en afspraken maken

Opdrachten geven aan je kind
Vaak is het geven van een opdracht aan je kind eenrichtingsverkeer. Jij als ouder vertelt wat het kind moet doen en verwacht vervolgens dat je kind het uitvoert. Sommige kinderen horen niet goed wat je hebt gezegd, snappen de opdracht niet, of kunnen alle onderdelen van de opdracht niet onthouden.

Praten met je kind (1)

Tips:
Zorg dat je de aandacht hebt van je kind.
Geef opdrachten die passen bij de leeftijd van je kind.
Laat je kind de opdracht herhalen.
Help je kind op gang.
Geef kaders aan je opdracht (wanneer moet het gebeuren en hoe).
Wanneer je kind vaak ongehoorzaam is, zorg er dan voor dat de consequentie voor ongehoorzaam zijn logisch is, je deze consequentie benoemt en je kind nog de kans geeft te gehoorzamen voordat je de consequentie uitvoert.
Als je een reden geeft waarom iets moet, zorg dat deze reden eerlijk is.

De laatste tip is voor ouders die soms een reden geven die niet eerlijk is.

Zoals: ‘Je moet voor 19.00 uur binnen zijn, want daarna komen de kinderlokkers.’ Of: ‘Je moet wel groenten eten anders vallen je tanden uit.’

Vaak zijn dit redenen die niet alleen onwaar zijn, maar ook nog bedoeld zijn om het kind bang te maken. Dreigen met de straf van Sinterklaas, van God of van de juffrouw op school zijn hier variaties op. Je kind gaat op deze manier gehoorzamen uit angst en niet uit het respect voor jou of voor de regel die je stelt. Daarbij schuif je de verantwoordelijkheid af naar een ander persoon. Zodra je kind erachter komt dat er buiten helemaal geen kinderlokkers lopen na 19.00 uur, daalt je geloofwaardigheid. Je kind trekt vervolgens jouw woorden vaker in twijfel. Daarbij werkt dreigen met angst of het geven van oneerlijke redenen vaak in de hand dat je kind dingen stiekem gaat doen. Ze hebben geen respect voor de regel gekregen, alleen angst voor de consequentie. Het vertrouwen in jou als ouder en je geloofwaardigheid daalt, daarbij wordt het kind sneller opstandig of gaat liegen.

Afspraken maken
Afspraken over klusjes in huis, over gedragsregels of beslissingen in het gezin. Over sommige afspraken heb je liever geen discussie. Dan noemen we het een opdracht. Maar er zijn ook afspraken waarbij de inbreng van het kind wel mogelijk is. Het voordeel van het betrekken van een kind bij het maken van afspraken, is dat je kind meer respect zal hebben voor de afspraken en ze beter na zal komen. Vooral bij pubers werkt dit goed. Er is minder aanleiding tot strijd over een afspraak. Ook als ze zelf inspraak hebben over de straf of beloning, zullen zij minder protesteren wanneer zij straf krijgen voor het niet nakomen van een afspraak.

Bedenk van te voren goed welke kaders je wilt stellen over afspraken, waar is geen discussie over mogelijk en welke keuzemogelijkheden ga je jouw kind geven.

Voorbeeld: Je kader is dat er klusjes gedaan moeten worden in het huis en wilt dat je kind iedere dag meehelpt. Hier kan geen discussie over plaatsvinden. Je geeft je kind vervolgens wel een keuze. Je vertelt hem(of laat hem nadenken over) alle taken die gedaan moeten worden en laat je kind er één per dag kiezen. Samen schrijven jullie deze taken op een weekplanner. Bedenk eventueel samen met je kind een redelijke straf wanneer hij zijn afspraken niet nakomt. Zorg dat je een straf bedenkt waar jullie het allebei mee eens zijn. Als er een straf is, kan er ook een beloning zijn. Deze hoeft niet groot te zijn en kan na een tijdje verdwijnen als de klusjes routine zijn geworden. Geef je kind kaders voor de beloning en laat hem zelf iets kiezen.

Het is hierbij heel belangrijk dat je de afspraken die je maakt helder houdt. Je kan ze bijvoorbeeld op papier zetten. Voor kleinere kinderen kan je gebruik maken van pictogrammen en stickers. Nog belangrijker is het dat ook jij als ouder je aan je afspraken houdt. Je mag hier heel zakelijk over zijn. Laat je niet verleiden tot een discussie. Afspraak is afspraak . Als je de afspraken op papier hebt gezet, kan je hier ook naar verwijzen.

Tips:
Bedenk de kaders van de afspraak die je met je kind wilt maken.
Bedenk welke keuze mogelijkheden je aan je kind wilt geven.
Bedenk welke eigen inbreng je kind mag hebben.
Zorg dat de afspraken helder en inzichtelijk zijn.
Zorg dat ook de consequenties afgesproken zijn. Deze consequenties moeten logisch zijn.
Blijf bij wat je hebt afgesproken.

Taalontwikkeling Deel 1: Leren praten

Leren praten
Kinderen leren praten vanaf het moment dat zij geboren zijn. Overal om hen heen horen ze geluiden, klanken en woorden. De eerste stap in het leren praten is het onderscheiden van al deze geluiden. Zelfs nog voor ze geboren zijn, leren ze het geluid van hun ouders te herkennen. Pas wanneer ze een aantal maanden oud zijn, gaan ze de woorden ook aan voorwerpen, personen of handelingen koppelen. Het is daarom goed om vanaf het begin al veel tegen je kind te praten. Door voorwerpen, personen en handelingen te benoemen, raakt de baby vertrouwd met de klank. Volgens onderzoek moet een persoon een woord 7 keer gehoord en beleefd hebben voordat dit woord goed in het brein zit opgeslagen. 

Praten met je kind

Kinderen hebben van nature de neiging om alles in hun omgeving te gaan benoemen. Zij ontwikkelen daardoor al snel hun eigen taal. Ze willen graag taal produceren, ook al klopt deze niet met de taalafspraken die wij met elkaar hebben. Als ouders het kind blijven stimuleren om te praten en daarnaast ook de juiste bewoordingen aan hun kind leren, verdwijnt de eigen taal vanzelf.

Je hoort soms volwassenen in een hoge toon en met een zangerige stem tegen hun kind praten. Dit is voor veel volwassenen een natuurlijk reflex. Baby’s zijn namelijk beter in het opvangen en het onderscheiden van nuances in hoge tonen dan in lage tonen. Let er wel op dat de taal die je spreekt wel correct is, zodat je kind taal op de juiste manier aanleert.

Voorbeeld: ‘Ga jij maar lekker slapen.’ In plaats van: ‘Doe jij maar lekker slapen.’

Wanneer een kind zelf woorden gaat spreken, daag je kind dan uit om nieuwe woorden te leren spreken.

Voorbeeld: ‘Welke knuffel wil je?’ vraagt de moeder. Het kind wijst haar teddybeer aan. De moeder geeft de teddybeer.

In dit voorbeeld leert het kind niet welk woord er bij de beer hoort. Als je denkt dat het kind dit woord nog niet kent kan je zeggen. ‘Jij wilt je teddybeer.’ En dan de beer geven. Als je kind al een beetje kan praten vraag je het woord te herhalen. ‘Oh jij wilt je teddybeer, zeg maar: ‘teddybeer’.’ Geef dan de beer ook als het kind het woord niet helemaal goed uitspreekt. 

Als je weet dat je kind het woord al kent kan je ook het woord vragen zonder het voor te zeggen. ‘Wil je deze knuffel? Hoe heet hij?’

Tips:
Praat zoveel mogelijk tegen je kind, vertel wat je doet en benoem voorwerpen en personen.
Praat rustig met een duidelijke intonatie.

Maak gebruik van gebaren en gezichtsuitdrukkingen.
Vraag je kind de woorden die hij kent of zeg ze voor.

Gebruik maken van gebaren en gezichtsuitdrukkingen helpt een kind emoties te leren kennen, de context van een zin te begrijpen en onbekende woorden in die context te plaatsen. Denk maar eens aan een gesprek met iemand die een andere taal spreekt. Vaak kan je door de gezichtsuitdrukkingen en gebaren al heel veel opmaken.